Door: Teun Reijmer
Als teamleider binnen de Wmo kijk ik dagelijks mee met casussen, samenwerking en de keuzes die we maken rondom ondersteuning. Wat mij daarin steeds vaker opvalt, is hoe snel we, vanuit goede bedoelingen, geneigd zijn om over te nemen.
We zien dat iets niet lukt, en organiseren een oplossing. We zetten begeleiding of andere maatwerkvoorziening in, nemen taken uit handen en creëren rust. Voor de inwoner, maar ook voor het systeem eromheen. En toch schuurt dat soms. Want hoe helpend is het eigenlijk, als iemand vooral leert dat een ander het overneemt?
Binnen de Wmo vertrekken we nog vaak vanuit wat iemand niet kan. We indiceren op beperkingen en op wat niet lukt. Dat is begrijpelijk, maar het stuurt ook ons handelen. Want als dat het vertrekpunt is, ligt overnemen al snel voor de hand. Het systeem is er ook zo op ingericht. Terwijl we juist willen dat mensen zelfredzamer worden en zelf stappen zetten, hoe klein ook.
Voor mij zit de kern van de beweging dan ook ergens anders: minder overnemen en meer ruimte maken zodat mensen zelf gaan doen, ontdekken en leren. Deze beweging is niet nieuw en wordt ook al even ingezet, bijvoorbeeld bij de Tolbrug in ‘s-Hertogenbosch, van zorgen vóór naar mogelijk maken of zelf laten doen.
Dat vraagt iets van ons als professionals en dan bedoel ik echt iedereen werkzaam in het sociaal domein. Namelijk dat we, waar mogelijk, toewerken naar het moment waarop we niet meer nodig zijn. Dat we onszelf overbodig maken, in plaats van onmisbaar. En dat is lastig.
Ik merk dat ook privé, als vader. Als ik continu de veters van mijn kinderen blijf strikken, leren ze het nooit zelf. Dan blijven ze afhankelijk van mij, hoe goed bedoeld mijn hulp ook is. Terwijl mijn doel juist is dat ze het zélf kunnen. Dat ze oefenen, fouten maken en opnieuw proberen. Dat gaat met vallen en opstaan. Maar dat is wel hoe mensen leren.
Misschien moeten we dat in de Wmo ook vaker zo zien: moeilijkheden of uitdagingen niet direct problematiseren, maar herkennen als onderdeel van ontwikkeling. Meer normaliseren en ruimte bieden. Een klimaat scheppen van vertrouwen en inlevingskracht waarin mensen zelf durven te bewegen en te leren.
Daarom zijn we, lokaal én landelijk, op zoek naar een andere beweging. Minder individueel, minder gericht op voorzieningen en meer collectief en gericht op het versterken van gemeenschappen en het voorveld. Het programma Sneller Onbeperkt Meedoen sluit daar naadloos op aan.
Concreet betekent dit dat deelnemers binnen het programma trainen en zich ontwikkelen in groepsverband, samen met anderen en met inzet van ervaringsdeskundigen. Tegelijkertijd is er aandacht voor het individu: oefenen in de eigen leefomgeving, in het eigen netwerk en op het eigen tempo. Een combinatie van praktijk en theorie, van samen leren en individueel versterken.
Wat opvalt, is niet alleen wat ze doen, maar ook hoe ze erover praten. Ze hebben het niet over het bieden van ondersteuning aan een doelgroep, maar over leren. Over het herkennen van wat je nodig hebt, het oefenen met vaardigheden en het door de praktijk leren kennen van je eigen grenzen.
Dat klinkt misschien als een nuance, maar in de praktijk maakt dat een wereld van verschil.
Waar wij vaak spreken over ‘begeleiding inzetten’, gaat het daar veel meer over ontwikkeling mogelijk maken. En dat maakt echt verschil in hoe je ernaar kijkt en wat je vervolgens doet. Dan kom je eigenlijk vanzelf bij de vraag waar het om draait: helpen we iemand hier echt verder mee, of nemen we iets over wat iemand zelf zou kunnen leren?
In de praktijk zie ik dat spanningsveld dagelijks terug. Professionals die vanuit betrokkenheid veel overnemen, omdat het sneller gaat, duidelijker is of gewoon goed voelt om te doen. Maar goed zorgen is niet altijd hetzelfde als iemand helpen ontwikkelen. En dat herken ik niet alleen in mijn werk als teamleider, maar ook thuis als vader, en in mijn rol als partner en vriend.
De beweging vraagt dus iets van iedereen. Van ons als gemeente om ruimte te geven. Van partners om soms juist minder te doen en zichzelf overbodig te maken. En van inwoners om weer stappen te zetten en open te staan voor ontwikkeling.
Niet de makkelijkste weg, wel de meest duurzame.
